Je staat in de vroege ochtend op de rand, op 2.300 meter, en het is koud. Onder je hangt mist in de kom, en dan trekt die weg en zie je het pas goed. Een vlakte van 260 vierkante kilometer, rondom afgesloten door wanden van zeshonderd meter, met een sodameer dat oplicht in het midden. Vanaf hier zijn de buffels stippen. Dan rijd je de steile weg naar beneden, en binnen twintig minuten sta je ertussen.
Wat de krater bijzonder maakt, is dat de dieren blijven. In de meeste parken bewegen kuddes met het water mee, dus wat je ziet hangt af van het seizoen. Hier is water en gras het hele jaar aanwezig, en de wanden houden een groot deel van het wild binnen. Dat betekent dat je op een gewone dag leeuwen, buffels, gnoes, zebra's, nijlpaarden en met geluk een neushoorn ziet, allemaal binnen een gebied dat je in een dag kunt rijden.
Het is ook de plek waar je zwarte neushoorns kunt zien, een van de weinige in Tanzania. En sinds 2026 lopen er ook witte neushoorns, voor het eerst in de geschiedenis van het land, uitgezet vanuit Zuid-Afrika en na ruim een jaar in beschermde omheiningen losgelaten op de kraterbodem.