Tarangire voelt heel verschillend, afhankelijk van waar je rijdt. De drukte zit in het noorden, de rust in het zuiden. In het noorden, bij de hoofdpoort, liggen de baobabvlaktes en de klassieke rivierlus. Hier komt iedereen binnen, en hier zitten in het droge seizoen de meeste olifanten. De rivier zelf is de levensader van het park, met de hoogste concentratie wild en tegelijk het drukste verkeer. Vroeg in de ochtend is het er een ander park dan om elf uur.
Dieper naar het zuiden liggen de Silale-moerassen. Grote buffelkuddes, leeuwen die vanaf termietenheuvels uitkijken over het gras, en soms een python. Silale is op zijn best in september en oktober, wanneer het moeras nog water houdt terwijl de rest van het park is opgedroogd. Nog verder zuidelijk, bij Gursi en Larmakau, liggen afgelegen vloedvlaktes waar je bijna geen ander voertuig tegenkomt, sterk voor vogels, en in de natte maanden soms onbereikbaar door de zware kleigrond. In het noordoosten ligt Matete, open acaciabos waar luipaarden zitten, en in het westen, richting Lake Burunge, zie je giraffen en struisvogels tussen glooiende heuvels.