Je rijdt van park naar park, en je slaapt steeds in de buurt van waar je die dagen op safari gaat. Op een reis van twee weken slaap je daardoor op vijf of zes verschillende plekken, meestal twee of drie nachten per plek.
Dat betekent ook dat je niet hoeft te kiezen tussen een tent en een lodge. Je krijgt ze allebei, en dat is precies de bedoeling. We wisselen de accommodaties bewust af, want elke plek heeft zijn eigen karakter, en die afwisseling maakt de reis rijker dan vijf keer hetzelfde.
Wat die plekken gemeen hebben, is dat ze iets eigens hebben. Geen ketens met tweehonderd identieke kamers, maar kleinschalige plekken die vaak worden gerund door mensen die er zelf wonen. De ene ligt aan een rivier met een zwembad om na een stoffige dag in te duiken.
De andere staat op Maasai-grond, waar je verblijf bijdraagt aan de school en de zorg van de gemeenschap eromheen. Weer een andere kijkt uit over de vallei, of staat zo dicht bij het wild dat er giraffen langs je veranda lopen.
De ligging weegt bij ons zwaar. Een plek dicht bij de dieren betekent dat je in de vroege ochtend al tussen het wild zit, in plaats van twee uur onderweg te zijn voordat je safari begint. En we kiezen bewust plekken buiten de drukste gebieden, want je komt niet naar de Serengeti om in een rij jeeps te staan, of om te ontbijten tussen tweehonderd andere gasten.
Binnen dat kader kan alles. Van comfortabele middenklasse tot heel luxe kampen met een privézwembad bij je tent en een butler die je ontbijt brengt. Wil je een deel van je reis echt luxe, dan regelen we dat.





















