Van Moshi naar Karatu

Een rijdag telt niet mee, denken mensen. Alsof de reis pas begint zodra je het park in rijdt.

Tussen Moshi en Karatu ligt tweehonderddertig kilometer, en je bent er ongeveer vier uur mee bezig. In die vier uur zie je meer van hoe Tanzania werkt dan in welk park dan ook. Je moet er alleen voor uit het raam kijken in plaats van op je telefoon.

Een tube asfalt

De weg ligt in het landschap alsof hij er met een enorme tube asfalt in is geknepen. Een strook, en meteen naast die strook houdt het verharde op. Geen berm, geen vangrail, en strepen op het wegdek zijn er maar op een deel van de route.

Dat betekent dat alles wat er beweegt diezelfde strook deelt. Vrachtwagens, bussen, brommers, fietsers, geiten en mensen, allemaal op dezelfde tweehonderddertig kilometer.

Met motor

Er rijdt hier van alles naast je. Glanzende nieuwe pick-ups met opsmuk, en daarnaast auto’s die zo oud zijn dat de koplampen het niet meer doen en het canvas door de banden heen komt. Mercedes-trucks die er piekfijn uitzien, en vrachtwagens die in de eerste versnelling tegen een helling op kruipen met een rij auto’s erachter.

De brommers zijn licht, Chinees en vol chroom. De bussen tussen de steden rijden hard en halen in waar het niet kan. De daladala’s, de minibusjes, stoppen om de haverklap omdat er altijd wel iemand in of uit wil.

En bijna alles is beschilderd. Een voetbalclub op de achterklep, een Bijbeltekst op de voorruit, een naam in sierletters op de zijkant. Je leest onderweg wat mensen belangrijk vinden.

En zonder motor

Daartussendoor gaat alles wat geen motor heeft. Fietsers met een stapel brandhout op de bagagedrager, zonder licht, ook als het al schemert. Vrouwen in felgekleurde kanga’s met een mand of een jerrycan op hun hoofd, rechtop en in een tempo waar je zelf niet aan tippen kunt.

Een kudde geiten met een jongen van een jaar of twaalf erachteraan. Ezels met te veel op hun rug. Het verkeer en het voetverkeer gaan hier door elkaar heen, en dat gaat niet altijd goed, dus je chauffeur rijdt hier anders dan jij thuis zou rijden.

En je ziet Maasai lopen, herkenbaar aan hun lange slanke gestalte en hun kleding. Vaak met een telefoon in de hand naast de staf. Dat beeld klopt, ook al past het niet bij de folder.

Dwars door Arusha

Halverwege ligt Arusha, en daar verandert alles. Het wordt stad, het wordt druk, en het wordt luid. Je staat stil in het verkeer, er wordt geroepen, en je bent ongeveer een uur bezig om er doorheen te komen.

Je chauffeur vraagt je hier waarschijnlijk om je raam dicht te doen terwijl je stilstaat. Niet omdat het gevaarlijk is om in Arusha te zijn, wel omdat een camera op schoot bij een open raam een camera is die iemand mee kan nemen. Dat is praktisch advies en geen waarschuwing.

Er is ook een route die niet dwars door het centrum gaat. In het seizoen staan de jacaranda’s daar in bloei, paars tot over de weg. Als het uitkomt qua tijd, rijden we die.

Van Arusha naar de afslag bij Makuyuni

Na Arusha wordt het weer zoals het was. Er is dan nog ruim honderd kilometer te gaan tot de afslag, en de dorpen komen met tussenpozen.

Bij elk dorp een markt. Tomaten in piramides opgestapeld, rode uien, mango’s, avocado’s, allemaal met de punt naar boven en het hoogste exemplaar precies in balans. Barbecues langs de kant met geit en kip erop. Het ruikt er goed en het ziet er goed uit.

Drie dingen die je gids je hier zal zeggen. Drink veel meer water dan je denkt nodig te hebben, was regelmatig je handen, en eet geen streetfood. Dat laatste is geen oordeel over het eten, het is een maag die niet gewend is aan wat hier normaal is, en je wil morgen niet in het park zitten met buikpijn.

Verder weg van de weg zie je boma’s liggen. Een Maasai-erf met in het midden een kraal voor het vee, en daaromheen de ronde hutten. Het vee staat ’s nachts binnen, de mensen eromheen, en dat is precies waarom het er zo uitziet.

De klim naar Karatu

Bij Makuyuni ga je rechtsaf, de B144 op. Smaller, rustiger, en vanaf daar klim je. Het is dan midden op de middag en het is heet geworden.

Het landschap verandert mee. Groener, hoger, en op een gegeven moment rijd je tussen de akkers en de koffie van de hooglanden. Dan ben je er bijna.

Wat er daarna komt is het stuk waar iedereen het over heeft. Het zwembad, een koud glas, de zon die zakt, eten, en vroeg naar bed. Want morgen gaat de wekker om zes uur en dan begint het andere deel.

Hoe lang doe je over de rit van Moshi naar Karatu

Reken op ongeveer vier uur rijden voor tweehonderddertig kilometer, waarvan zo’n uur voor het doorkruisen van Arusha. In de praktijk duurt de dag langer, en dat is met opzet.

Wij plannen deze rit niet als verplaatsing maar als dag. Je stopt bij een markt, je stapt uit waar het de moeite waard is, en je eet ergens onderweg. Wie het in vier uur doet, heeft hem gereden. Wie er een dag van maakt, heeft hem gezien.

Wat je gids onderweg doet

Dit is het verschil tussen een transfer en een rijdag. Je gids rijdt niet alleen, hij weet waar hij stopt.

Hij vertelt je wat je ziet voordat je het hoeft te vragen. Waarom die kraal in het midden staat, wat er op die achterklep geschilderd is, waarom die vrachtwagen in de eerste versnelling rijdt. En hij weet welke weg na regen begaanbaar is en welke niet, wat in de natte maanden het verschil maakt tussen vier uur en zeven.

Je rijdt deze route in bijna elke noordelijke reis, want het is de weg van Moshi naar de parken. Hoe die dag in een volledig programma valt, zie je bij onze voorbeeldreizen.